Bij een jongen van zeventien valt een brief op de mat. De staat schrijft vriendelijk, in de toon waarop een tandarts je aan een controle herinnert, dat hij nu in de boeken staat. Geregistreerd. Beschikbaar. De opkomstplicht is opgeschort, leert de brief. Opgeschort. Niet afgeschaft – en in dat ene werkwoord wacht alles, want wat is opgeschort kan worden hervat. De jongen legt de brief op de keukentafel, tussen de post van de zorgverzekeraar en een folder van de supermarkt en merkt nauwelijks dat hem zojuist, in onberispelijk ambtelijk Nederlands, is verteld dat zijn lichaam ter beschikking staat.
Zo komt oorlog onze levens binnen. Nooit als ‘oorlog’ want oorlog die zichzelf zo noemt, jaagt mensen weg. Daarom heet het anders. Het heet weerbaarheid, paraatheid, bescherming. Vrijheid, karaktervorming, kameraadschap, dienstbaarheid. En, het mooiste woord: avontuur. Het zijn warme woorden en die warmte is hun taak. Weerbaarheid klinkt als een spier die je oefent, als een huid die dikker wordt; het woord vertelt er niet bij tegen wie en al helemaal niet dat weerbaarheid, helemaal doorgedacht, betekent dat je leert een mens uit te schakelen voordat hij jou uitschakelt – en uitschakelen is het nette woord voor doden. ‘Avontuur’, ten slotte, is het woord dat men op de jongen plakt, die met een wapen in zijn handen een heuvel op rent waarvan hij de top misschien niet haalt. Onder elk van die woorden zit een deur, en achter de deur staat het ding dat het woord moest verbergen.
Wat zulke taal vooral doet, is de grens verschuiven van wat ‘verstandig’ mag heten. Wie over vrede begint, gaat steeds meer klinken als iemand die de wereld niet aankan, een dromer, een kind, een naïeveling. Realisme, volwassenheid, noodzaak, verantwoordelijkheid: die woorden trekken naar de kant van het wapen, tot meegaan in de bewapening steeds meer geldt als ‘wijs’ en nadenken over hoe mensen elkaar sparen als wereldvreemd. De omkering voltrekt zich nu, bijna onzichtbaar en daarom werkt het. Een moorddadige gedachte wordt pas echt gevaarlijk wanneer zij redelijk klinkt, wanneer ze moord verandert in een abstractie die je op een symposium kunt verdedigen.
Voor een lichaam stukgaat, moet eerst een gezicht verdwijnen. Dat gebeurt in taal. De ander, die ook een keukentafel heeft en ook post krijgt van zijn zorgverzekeraar, wordt een dreiging, een flank op een kaart, een vijandbeeld; hij verschrompelt tot iets wat je kunt benoemen zonder hem te zien. Simone Weil noemde geweld de kracht die van een mens een ding maakt, een lijk dat nog ademt en dat ding-maken begint al lang voor het slagveld, in de manier waarop we leren kijken. John Berger zou het werk omkeren: kijk terug tot je weer een gezicht ziet. Tegen de stroom in een gezicht herwinnen waar de taal een doelwit van wilde maken.
En dan de jongen zelf. Geoff Dyer keek naar de foto’s van de jongens die zich in 1914 lieten inschrijven en zag mannen die er al uitzagen als hun eigen geest: levend in beeld, met iets om zich heen dat al leek te weten hoe het zou aflopen, netjes in de rij voor de slachting. Zo rijpen de geesten. Eerst die van een heel volk, zacht rijp gemaakt tot bewapening vanzelf spreekt. Daarna die in de andere betekenis: de jonge doden die nog niet bestaan en in de logica van dit alles toch al klaarstaan. Het offer wordt mooi gemaakt voordat lichaam en geest kapotgaat. Er wordt over gesproken in termen van ‘eer’ en ‘zin’ en ‘een leven dat ergens voor stond’ en al die mooie woorden klinken namens oudere mannen, bestuurders, strategen, die zelf nooit de heuvel op zullen rennen en wier eigen kinderen, opvallend vaak, andere plannen hebben op die momenten.

— Geoff Dyer, The Missing of the Somme
Beeld: Oostenrijkse soldaat in houten loopgraven aan het Oostfront tijdens de Eerste Wereldoorlog, 1915.
De symptomen liggen inmiddels overal, als je ze als symptomen leest. Defensie komt de klas in met een glanzende presentatie en de docent die de week ervoor iets over vrede vertelde, merkt dat haar les er ineens ouderwets bij staat, een beetje soft, iets van vroeger. Er is een ‘dienjaar’ dat klinkt als een tussenjaar met betekenis of zelfs zin. Er zijn weerbaarheidstrainingen voor een samenleving die moet leren zich bedreigd te voelen. Een lid van het Koninklijk Huis gaat in uniform op de foto en dat beeld doet zijn werk zonder dat er één argument bij hoeft: het zegt dat dit deftig is, vanzelfsprekend, iets wat nette mensen doen. Karl Kraus hoorde een eeuw geleden al hoe een oorlog in de krant en in de notulen wordt voorbereid voordat hij in de modder wordt gevoerd – hoe de frase vooruitloopt op het bloed, en hoe het ergste zich voltrekt in een fluistering, in formulieren, in mensen die hun werk doen en niet doordenken wat dat werk uiteindelijk is.
Daarom is het de moeite waard de woorden langzaam te blijven lezen. Vrede is in deze tijd verdacht gemaakt als iets zachts, een idealisme voor wie de echte wereld niet kent. Kijk goed en keer het om: vrede is de toestand waarin een mens gewoon zijn dag kan hebben: werken, ruziën, verliefd worden, oud worden, ’s avonds de post van de mat rapen zonder dat er een staat meeleest die zijn lichaam alvast heeft genoteerd. Oorlog haalt dat allemaal weg. Oorlog betekent dat een jong mens wordt klaargemaakt om te doden of gedood te worden, tegen iemand die eerst in taal tot vijand is omgebouwd. Dat is wat eronder ligt, onder weerbaarheid en avontuur en dienstbaarheid. Een eeuw geleden klonk al de vraag die nu opnieuw dringt: wat als ze een oorlog uitroepen en niemand komt opdagen? Zo’n vraag heet steeds meer ‘kinderlijk’. Maar het is misschien de meest volwassen vraag die we hebben maar die steeds minder gehoord mag worden. En die vraag begint klein, bij die brief op de keukentafel, bij de jongen die hem opent – bij ons, die kunnen weigeren de mooie woorden te geloven voordat onze geesten rijp zijn gemaakt.

Geef een reactie