Na het vastlopen van de operatie Market Garden was het gebied tussen de rivieren Waal en Rijn het decor van verscheidene confrontaties tussen de geallieerde troepen en Duitse infanterie en artillerie. Eind september 1944 liepen bij het kerkdorpje Ressen, gelegen langs de weg van Nijmegen naar Arnhem, soldaten van de Irish Guards op een sterke Duitse linie. De Guards, een infanterie regiment van het Britse leger, hielden heldhaftig stand tegen de met zwaar geschut bewapende Duitsers en voorkwamen dat deze in zuidelijke richting oprukten.

Een kilometer of twee ten noorden van Ressen herinnert een monument aan de gevechten die daar hebben plaatsgehad. Het ongeveer 7 meter hoge gedenkteken in de vorm van een vliegtuigvleugel staat langs de snelweg A325 tussen Nijmegen en Arnhem en het riviertje de Linge. In het vlakke landschap, tussen de oprukkende bebouwing van de Arnhemse buitenwijken en de bedrijventerreinen van Huissen en Angeren, valt het nauwelijks op. Het staat er wat verloren in de wind. De wielrenners op het langs de snelweg gelegen fietspad hebben alleen oog voor het asfalt dat zich voor hen uitstrekt en kijken niet op of om. De Guards verdienen een aandachtiger eerbetoon.
Rudyard Kipling, wiens zoon John als luitenant van de Irish Guards in 1915 sneuvelde bij de Slag om Loos, betoonde in 1918 met een prachtig gedicht zijn eer aan de dappere soldaten.
The Irish Guards
Old Days! The wild geese are flying
Head to the storm as they faced it before!
For where there are Irish there’s memory undying,
And when we forget, it’s Ireland no more!
Ireland no more!




Mazzy Star zangeres Hope Sandoval vormde in 2000 samen met My Bloody Valentine drummer Colm O’Ciosoig Hope Sandoval & The Warm Inventions. Het leverde in 2001 en 2009 twee bijzonder fraaie platen op, maar sindsdien was het stil. De afgelopen jaren kwamen zowel Mazzy Star als My Bloody Valentine weer tot leven, maar gelukkig is ook het andere project van Hope Sandoval nog altijd springlevend. Until The Hunter laat een zich bijzonder langzaam voortslepend geluid horen, waarin invloeden uit de psychedelica belangrijker zijn dan bij Mazzy Star. Vergeleken met Mazzy Star is het geluid van dit project van Hope Sandoval ook veelzijdiger. Until The Hunter laat lang uitgesponnen psychedelische tracks horen, maar ook zweverige folksongs, een fris gitaarliedje of toch opeens weer songs die aan Mazzy Star doen denken. Zoals we van Hope Sandoval gewend zijn domineren de lome en dromerige songs en dat zijn ook de songs waarin haar verleidelijke vocalen het best tot zijn recht komen. Heerlijke plaat om bij weg te dromen. [Recensie: E. Zijleman]
Johnny Cash zijn evident. De geweldige gitarist en wat ondergewaardeerde songwriter die je hoort is Rick Miller. Samen met de rest van de band geeft hij deze persoonlijkheid mee. Het album Electric Pinecones opent met Freak Flag waarbij je zult merken dat je voet onwillekeurig meetikt en daar ga je. Je drijft richting het mooie Slowly Losing My Mind. En alles daartussen? Heel fijn, heel fijn. [Recensie: J. Stevens | Fernweh Mag]
Soms wil je uit de drukte van het stadsleven
Drummer Jivraj Singh en multi-instrumentalist Nischay Parekh komen uit India en brachten daar in 2013 al dit album uit. Langzamerhand slaat hun opmerkelijke sound over naar de US en Europa, en terwijl ze inmiddels bijna hun tweede album gaan uitbrengen kunnen we eerst nog even kennismaken via deze wereldwijde heruitgave. En opmerkelijk is het, want het album opent met I Love You Baby, I Love You Doll, een nummer dat sterk herinnert aan Fred Neil’s Everybody’s Talking (!), terwijl de twee nummers die volgen meer gemeen hebben met Dylan’s Nashville Skyline (!!) dan met muziek die wij, bevooroordeelde westerlingen, meer associëren met de transistorradio muziek die de straten van Mumbay bevolken. Daarna wordt het album zelfs een stuk steviger en eigentijdser om naar het eind van het album weer terug te keren naar de akoestische sound van het begin. En dat alles in 25 minuten. Bijzonder album. [Recensie: J. Vreugdenhil]


De tweede langspeler van Noura Mint Seymali komt na Tzenni, heet Arbina en is goed. Heel erg goed zelfs. Recensent Z. Lipez van Noisey/Vice is er lyrisch over:
Weyes Blood is de naam waaronder Natalie Mering alweer een jaar of 10 muziek maakt. In dat decennium heeft Natalie zich ontwikkeld van lo-fi avant-gardiste tot gothic folkie tot intrigerende en melodieuze chanteuse met een sterke hippie inslag. Die evolutie is te volgen op haar albums. De eerste single van deze plaat is Seven Words, een ballad, die rustig de tijd neemt om zich te ontvouwen. Inspiratie lijkt Natalie te hebben geput uit het werk van Natalie Merchant, maar vooral van de legendarische, veel te vroeg overleden Judee Sill.
Anouk is van alle markten thuis. Met Fake It Till We Die, haar nieuwste album en de tweede die ze dit jaar uitbrengt, bewijst de Haagsche zangeres dat ze bomvol sterke teksten zit en ook goed gedijt in de funk en soul. De opener There He Goes brengt je met een Curtis Mayfield-achtige Superfly melodie direct in de juiste sferen. Veel blazers en gedempte kerkorgels, maar ook synthesizers zijn ingezet om de juiste ‘undergound feel’ neer te zetten. Pakkende, persoonlijke teksten en een continue variatie aan stijlen eisen de aandacht van de luisteraar op. Boos wenst de zangeres een oude liefde de eeuwige verdommenis toe. ‘Burn motherfucker, burn in hell’ gromt uit de speakers bij het stevige nummer Burn. Van pittig en woest naar zwoel en sexy. Ze draait haar hand er niet voor om. En zoals we van Anouk gewend zijn: ze neemt geen blad voor de mond. Het veelbesproken Down Daddy Down brengt op een traag ska-ritme lyrics als ‘You sure love my legs and what’s in between’. Het levert geheid rode oortjes en blozende wangen op. Mannen, seks en liefde en de onzekerheid die hiermee gepaard gaat, zijn duidelijke inspiratiebronnen geweest, zoals ze zelf ook aangeeft in de nummers Take It Slow, I Just Met A Man en My Man; ‘He’s my inspiration.. I don’t have to die to go to heaven.’ Een energieke plaat, vol pit en passie, wat experimenteler dan anders, maar nog steeds een authentieke Anouk. Eentje die bij geen muziekliefhebber mag ontbreken. [Recensie: S. den Toom]